Doorgaan naar hoofdcontent

Dode ogen


 
Ik heb al zo lang je stem niet gehoord, het is inmiddels al menig leven geleden. De precieze klank van je stem en je aanblik zijn in de loop der decenia minder helder geworden en ik ben ontzettend bang dat je steeds verder vervaagt in mijn herinnering. Ik mis je. Ik mis je zoveel meer dan dat ik het leven zelf heb gemist en het doet me intens veel pijn terwijl ik niets meer kan voelen.


Het beloofde ondanks de kou, een mooie zonnige dag te worden. De lucht was helder en de afnemende maan was nog steeds zichtbaar in de beginnende schemering. Jij rekte je uit en glimlachte naar me. Zoals je daar tussen de witte lakens lag leek je net een droom. Ik had de neiging mezelf te knijpen om te zien of je daadwerkelijk echt was en daar lag. God, wat was je mooi. Je huid was lelieblank en leek te glinsteren in het laatste maanlicht. Je ogen waren van het zuiverste blauw en je lange, golvende haren als gesponnen gouddraad. Ik begrijp nog steeds niet wat je in mij zag. Hoe kon het dat een etherisch wezen als jij voor een aardse man als ik koos. Ik vond het onbegrijpelijk.
    Je stond op, sloeg een van de witte lakens om je heen en liep naar het raam toe dat uitkeek op het Piazza San Marco. Ik keek in stilte naar je en bewonderde de rondingen van je lichaam, je onwerkelijke schoonheid. Het was alsof ik een levend schilderij zag van een van de grote meesters, maar je was nu mijn muze. Je legde je smalle hand tegen het raam waarop de ijsbloemen stonden en keek naar buiten. Ik kon mijn ogen gewoon niet van je afwenden. Je draaide je naar me om en keek me aan met een blik die ik nog steeds niet kan plaatsen. Wat dacht je op dat moment? Wat zag je? Het voelde heel even alsof je er niet was. Het bewuste moment passeerde ongemerkt en je wendde je blik weer af. De temperatuur in de kamer leek te dalen en ik moest wat hout in de haard gooien waardoor ik me van je wegdraaide. Ik herleef dat ogenblik elke dag en elke nacht. Wat als ik me niet van je had weggedraaid, zou je dan nog bij me zijn geweest?
    Het verloop van gebeurtenissen na dat beslissende moment is mij nog steeds niet duidelijk. Het eerstvolgende wat ik me herinner was dat ik op de het kleed voor de haard lag, met het haardvuur verworden tot een smeulende laag as. Het eens witte kleed was rood bebloed, en zo ook mijn witte overhemd. Ik keek rond, op zoek naar jou, maar zag je niet. Het raam stond open en druppels bloed lagen op de grond richting het kozijn. De vrieskou kwam naar binnen maar ik voelde niets. Het enige dat me bezighield was het feit dat ik je kwijt was. Waarschijnlijk voorgoed. Vanaf dat moment heb ik niets anders meer gevoeld dan wroeging, hartepijn en haat.


Mijn hart huilt ondanks dat het niet meer klopt. Ik zin op wraak maar ik weet alleen nog niet op wie ik mijn haat moet richten. De nachtmerrie waarin ik wakker was geworden lijkt nu nog even onwerkelijk als op dat moment, maar ruim twee eeuwen verder ben ik dichter bij de waarheid gekomen van wat er die ochtend is gebeurd. Ik kijk naar buiten door het enige raam dat deze kamer te bieden heeft. Deze dag is ook koud geweest, net als toen, echter niet zonnig. Een grauwe waas bedekt deze vervuilde stad. Hoe anders dan Venetië toen wij daar samen waren. Ik veracht deze verdoemde plek. Hier zijn de straten vol van alles wat verderfelijk is; hoeren, moordenaars, dieven en ratten. Alles wat laag bij de grond leeft kruipt hier over straat. Ik ben geen uitzondering daarin. De schoonheid die ik eens zo intens beleefde staat in schril contrast met wat ik nu moet aanschouwen en wat ik ben geworden. Hoe gemakkelijk zou het zijn om hier zonder schaamte of schroom dood en verderf te zaaien en te nemen waar ik behoefte aan heb. Die verschrikkelijke daden zouden simpelweg opgaan in de menigte, maar ik weiger me daartoe te verlagen. Ik heb maar een enkel doel, het vinden van jouw moordenaar. Hij is hier, dat voel ik, en ik zal hem vinden.
     Ik keer me af van het raam, sla mijn overjas om mijn schouders en zet mijn hoed op. Ik moet naar buiten. Het is alweer drie dagen geleden dat ik me gevoed heb en ik voel mijn krachten afnemen. Het duister en mijn dorst lokken me de straat op. Het is niet dat ik de zon niet meer in kan, niet letterlijk in ieder geval, maar ik kan haar niet meer verdragen. Ik hoor niet meer in het volle daglicht sinds ik de duisternis ben ingetrokken. Ik zal mijn nieuwe bestaan gebruiken om de reden van ons wrede afscheid te achterhalen en ik zal niet rusten voor ik de waarheid ken.
    De Rue des Abbesses overstekend, begeef ik me via een smalle steeg met trappen naar Rue André Antoine. De minimale verlichting in de steeg maakt dat ik me meer op mijn gemak voel. Hier kan ik me voeden zonder dat ik in het oog spring. Vandaag geen rat op het menu. Ik walg van die stinkende knaagdieren, maar ze zijn zo gemakkelijk te vangen dat ik me meestal meer door mijn dorst en verstand laat leiden dan door mijn afkeer. Ik neem vanavond iets groters dan een knaagdier. Met een beetje geluk is het een goed doorvoed exemplaar waarmee ik me wederom een aantal dagen kan beheersen. Ik heb al mijn kracht nodig om de andersoortige jacht voort te kunnen zetten. Ik kies een plek uit waar ik het meest in de schaduwen sta en wacht op beweging. Er komen twee mensen aan. Op dit uur waarschijnlijk hoertjes. Jonge, gezonde, nog vitale vrouwen. Ik sluit mijn ogen. Niet ingeven, ik mag nu niet ingeven. Ik voel het vuur in mij branden van het verlangen te nemen waar ik voor gemaakt ben. De geur die mijn neus indrijft van hun zoete bloed is bijna meer dan ik kan verdragen. Maar twee leeggedronken lijken nabij mijn huidige verblijfplaats kan ik niet gebruiken. In de schaduwen moet ik blijven. Bovendien zijn ze met twee waardoor er altijd een zal gaan gillen en de aandacht hoe dan ook getrokken zou worden. Bij één dronken hoer had ik me misschien door de dorst laten verleiden en toegegeven aan de moordzucht van het monster dat in mij huist. Maar nu klem ik mijn kaken op elkaar en wacht ik tot de verleiding voorbij is gestrompeld. Wanneer de stilte in de steeg is gewederkeerd en de geur menselijk bloed is vervaagt scherp ik mijn zintuigen. Al snel zie en hoor ik een hond de steeg in komen dwalen. Voordat het beest ook maar iets in de gaten kan krijgen is zijn leed al geleden. Het is een schrieler exemplaar dan ik voor ogen had maar voor nu voldoet het. Ik veeg mijn bebloede lippen af en werp het lijk van de hond in een hoek naast de trappen die terugleiden naar de Rue des Abbesses. De ratten zullen ditmaal de resten van mijn maal verslinden. Ik voel de rust enigzins terugkeren in mijn koude lijf. Mijn dorst is tijdelijk gelest en ik kan me weer tussen de mensen begeven.
     De donkere straten in het 18e arrondissement ruiken naar verlopen vrouwen met goedkoop parfum, ongewassen figuren, stomdronken mannen en zwerfhonden. Af en toe komt er iets lieflijks voorbijwaaien in de lucht, zeldzaam doch. De geur van onschuld en van liefde, de geur die met doet denken aan vroeger. Ik dwaal door de straten op weg naar een van de weinige plekken in dit nachtelijk Parijs waar ik mezelf kan zijn en tegelijkertijd steeds dichterbij die ander ben naar wie ik verlang. Ik begeef me naar Cimetière de Montmartre. Hoe ironisch dat ik juist daar mijn tijdelijke rust kan vinden in plaats van mijn eeuwige. Tussen de stenen engelen, granieten tombes en sombere grafzerken. De doden die hier rusten spreken niet, ze zwijgen in alle talen, maar ik versta ze als geen ander. Hun stoffelijke resten vertellen mij de verhalen van hun leven, of ze jong waren toen ze stierven, of oud, gezond of ziek. Ze hebben geen geheimen voor me. Zij niet.
     De begraafplaats is verlaten zodat ik alleen kan zijn met de doden. De duisternis deert mij niet want mijn zicht is niet beperkt tot enkel licht of schemering. Mijn ogen dwalen langs de graven. Ik voel een steek van jaloezie wanneer ik het opschrift lees van Jean-Jacques Deridot; 27 jaar, echtgenoot en vader, moge zijn ziel rusten in vrede. Hij wel. Ik heb die leeftijd niet mogen bereiken, ik heb niet lang de genoegens gekend van het huwelijk, ik ben nooit vader geworden, en mijn ziel... die is verdoemd tot in de eeuwigheid. Ik kniel neer en leg mijn hand op de grafsteen. Ik verbijt mijn afgunst. Deze man, die ik desondanks had willen zijn, heeft ook leed gekend en is te vroeg doodgegaan. Het verbaasd me nog steeds dat ik me op deze manier vasthoudt aan het leven, aan de man die ik eens was. De enkele verdoemden die ik na mijn overgang heb ontmoet waren stuk voor stuk koelbloedige moordenaars, zonder enig berouw of moraal. Ik vraag me nog steeds af wat of wie mij heeft gemaakt tot wat ik nu ben; een moordenaar met een geweten. Wat een wrede lotsbestemming. Ik sta op en loop mijn vaste nachtelijke wandeling langs de verschillende graven. Velen van de begravenen zijn in een geheel ander tijdperk geboren dan waarin ik leefde. Sommige echter zouden mijn levensgenoten hebben kunnen zijn. Gewone burgers, maar ook beroemde mensen zoals schrijvers, schilders en componisten. Hier onder de doden wordt er niet gediscrimineerd. Ze liggen zij aan zij in eeuwige rust.
     Ineens stop ik. Er hangt een eigennaardige zindering in de lucht en ik voel dat er iets gaat veranderen. Ik richt mijn ogen op het grote, gietijzeren toegangshek van de begraafplaats. Het hek kraakt bij openen en een zwarte schaduw glijdt vloeiend de begraafplaats op. Ik blijf verstild staan bij de huilende engel waar ik was aanbeland. Haar granieten tranen zijn gelijk aan die van mij wanneer ik aan jou denk, versteend en eeuwig aanwezig. De gedaante komt naderbij en blijft dan op een eerbiedige afstand staan. Als op bevel breekt het nachtelijke wolkendek open en beroert de maan de aarde met haar zilveren licht. Ik zie dat het een vrouw betreft, een ontsterfelijke vrouw. In haar bleke gezicht staan diepliggende ogen waarmee ze me aankijkt.
     'Ik hoorde dat u op zoek bent naar een speciaal persoon uit uw verleden.'
     Haar zachte stem klinkt als een zingende engel. Hoe anders dan de ontsterfelijken die ik tot nu toe ben tegengekomen. Die spraken amper en wanneer ze zich uitten klonk het meer als een geluid waar men van zou sidderen. Maar deze vrouw klinkt lieflijk, verleidelijk bijna als een sirene. Haar huid glinstert als parlemoer in het maanlicht en haar grijsblauwe ogen staren me intens aan. Hoe kan de dood in een menselijke vorm zo beeldschoon zijn? Ik raak verward van haar verschijning en alsof ze dat aanvoelt slaat ze haar ogen neer als om mij de kans te geven mezelf los te rukken van haar betoverende aangezicht. Ik haal jou weer terug voor mijn geestesoog. Jouw schoonheid: je huid, je ogen, je haren. Ik sla mijn ogen op en kijk de vrouw die hier in het maanlicht voor me staat weer aan. Ik knik. Even twijfel ik haar toe te spreken, want dat ene woord voelt bij het uitspreken ervan nog elke keer alsof er een dolk in mijn koude hart wordt gestoken. Mijn stem klinkt vast ondanks dat ik hem zelden nog gebruik.
     'Dat is juist. Ik ben op zoek naar de moordenaar van mijn vrouw,' antwoord ik.
     Ik hoor haar zacht zuchten en wanneer zij haar ogen weer opslaat zie ik wat ik daarnet nog niet had gezien. Haar ogen staan triest, angstig bijna. Ze doorbreekt mijn staren en zegt bijna fluisterend: 'Ik kan u naar haar toebrengen als u zeker weet dat dat is wat u wilt.'
     Haar?, denk ik verward. De moordenaar van mijn geliefde is een vrouw?
    De vrouw heeft haar hoofd ietwat schuingebogen en kijkt me op zo'n manier aan dat het lijkt alsof ze mijn gedachten wil lezen. Ik herpak mezelf en knik ter bevestiging. De vrouw draait zich geruisloos om en gebaart me haar te volgen. In gedachten neem ik afscheid van de voor mij bekende doden hier, want ik weet niet of ik nog terug zal keren, en volg de onbekende vrouw. Zwijgend doorkruisen we het 9e en 10e arrondissement. Op dit uur worden de straten stiller in dit deel van Parijs. We steken het Canal Saint-Martin over en komen al snel bij de ingang van een groot park, Parc des Buttes-Chaumont. Ik ben hier nog niet eerder geweest. De vrouw draait zich om en kijkt me aan. Ik voel haar aarzeling maar zonder een woord te zeggen, draait ze zich weer om en gaat het park in terwijl ik haar volg. Ik kijk nu in de richting waar we gaan en ik weet niet of ik mijn ogen kan vertrouwen. Centraal gelegen in het park rijst, omgeven door een meer, een rots omhoog en bovenop die rots staat een kopie van de Tempel van Vesta; een plek van grote schoonheid die ik samen met jou heb bezocht tijdens onze huwelijksreis. Aan de rand van het meer draait de vrouw zich weer naar mij om. Het kost me moeite om mijn ogen op haar te richten in plaats van op de tempel daarboven op de rots.
     'Ze wacht op u daarboven bij de Tempel de la Sybille,' zegt ze met zachte, warme stem. Haar ogen blijven me een moment intens aanstaren, maar dan keert ze zich van me af en verdwijnt geruisloos als een geest elders het park in. Mijn blik richt zich weer naar boven, naar de tempel. In mijn hoofd verschijnen en verdwijnen wel honderden scenarios van wat ik daar kan aantreffen, maar er is maar één mogelijkheid om het werkelijke scenario te ervaren. Ik moet naar boven en dat nemen wat mij toekomt, wat jou toekomt; wraak. Een brug brengt me over het meer naar de voet van de rots en ik neem het pad dat me naar boven zal brengen. Voor dit moment verdwijnt de witte tempel uit het zicht wat me weer terugbrengt in het donkere heden. Mijn geest wordt weer iets rustiger en gedecideerder. Na een korte klim tussen de begoeiing komt de tempel weer in het zicht. De maan schijnt helder neer en kleurt de tempel zilverwit; een serene kleur. Ik zie een vrouwelijke gedaante staan bij de ballustrade. Ze kijkt uit over de nachtelijke stad Parijs. Ze is gekleed in een lange jurk van nachtblauwe, soepele stof. Haar schouders en rug zijn gedeeltelijk ontbloot. De kou deert haar niet want haar bloed stroomt niet meer. Ik kom iets naderbij en haar haren golven als gouddraad langs haar schouder aan de voorkant naar beneden. Net als de andere vrouw oogt ze lieflijk, onwerelds. Ze is als een gevallen engel; beeldschoon maar verdoemd.
     Het lijkt alsof de tijd in een bevroren moment zit. De vrouw staat als een marmeren beeld met haar rug naar mij toegekeerd en ik sta roerloos naar haar te kijken. Wat weerhoudt mij, nu ik zo dichtbij ben, om jou te wreken? Dan draait zij zich om en als mijn hart nog had geklopt was het stilgevallen, mijn adem was gestokt en ik was dood neergevallen. De vrouw die hier voor mij staat, kijkt mij aan.
     'Hallo, Salvatore Matteo.'
     'Mio Dio, mijn God …' stamel ik.
    In dit heldere maanlicht zal ik terstonds moeten vergeten wat ik nu aanschouw. Het is een droombeeld, nee, een nachtmerrie. Ik ben in een delirium beland, dat kan niet anders. Jij bent het niet, want dat is onmogelijk. Hoe wreed is dit schouwspel! Welk een zieke geest heeft bezit van mij genomen dat ik dit hier voor mij zie. Ik keer mijn blik af en zoek met mijn ogen naar wat echt aanwezig is. Het gesteente onder mijn voeten, het meer daar beneden in de diepte, de maan hoog boven mij in de lucht. Ik voel ook de aanwezigheid van de stad nabij. Ik kan haar bijna aanraken en verlang nu naar haar smerige straten met haar valse verleidingen, want hoeveel meer draagbaar is dat in vergelijking met wat deze plek van intense schoonheid met mij doet. Alles aan deze plek is een kopie van een herinnering, nu tot waanbeeld verwrongen. Dit is de hemel in de hel; ik staar recht in de dode ogen van mijn muze.



Reacties

Anna zei…
Poehé wat een verhaal :-) Top!

Populaire berichten van deze blog

Boeklancering 23x Zwart Licht

Over een maandje zal de verhalenbundel 23x Zwart Licht gelanceerd worden. Ik ben trots dat voor de derde maal een verhaal van mij gepubliceerd wordt via Godijn Publishing.

Mijn verhaal heet 'Engelenstem'. Een klein voorproefje om jullie interesse te wekken:


"Blanco. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Alles was blanco. Ze had het gevoel niet echt te zijn. Even deed ze haar ogen dicht en probeerde ze zich te concentreren op haar lichaam. Ze werd zich gewaar van haar hartslag en ademhaling; ze moest wel echt zijn. Ze opende haar ogen en keek omhoog naar de strakblauwe lucht, die leek ook echt. Ze richtte haar blik vooruit en zag de zee. Het wateroppervlak was rustig, de golven kabbelden. In de verte voer een vrachtschip waarvan het leek alsof hij stillag. Ze werd zich ervan bewust dat ze in de vloedlijn stond en dat haar sneakers nat waren geworden, toch bleef ze staan. In haar rechterhand hield ze iets vast: een scherp toelopende metalen pin. Het zat onder het bloed, net als…

~

If dreams could be real
You'd live
We'd walk in the park, smiling
But spring's here again
And you're not

How far would you go

how far would you walk with me my friend
all the way through the swamp of sadness
where despair seeps into your veins
leaving your limbs as heavy as stone
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way over the mountains of dread
where the fear claws at your feet
and the paths are as treacherous as thieves
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way through the valley of pain
where the roads are as sharp as razors
and the rivers run with blood
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
All the way to the ends of the earth
where the emptiness is as vast
as the hole in my heart
how far would you walk with me my friend
how far would you go