Doorgaan naar hoofdcontent

Vreemde ontmoeting

Dit verhaal heb ik geschreven toen ik nog erg jong was. Dat kun je ook wel terugvinden in de stijl en het onderwerp naar mijn idee. Maar ik vond hem te tekenend voor mijn ontwikkeling in schrijven om hem niet te delen. Dus vandaar dat dit verhaal hier ook staat.



Vreemde ontmoeting

   
 Ze herinnerde zich nog dat het regende die avond. De torenklok op het plein had zich in een waas van druppels omhuld. Het sloeg elven en de klokken galmden over het lege plein. Doorweekt rende ze een oud cafeetje binnen. De klanten keken niet op of om. Ze keek rond in de schaars verlichte ruimte of er nog een zitplaats was om even wat op te drogen. Ze zag nog één lege stoel staan en wrong zich er door de meute naartoe. Er zat al een jonge man aan het tafeltje. Over de leuning van zijn stoel hing een zwarte regencape en op tafel lag een hoge hoed. Ze ging zitten. Even leek het of hij haar aankeek. In zijn slanke handen had hij een zilveren zakhorloge waarmee hij een beetje zat te spelen. In een flits zag ze een inscriptie aan de binnenkant van het horloge. Ze verstijfde. Haar hart klopte in haar keel. De man had waarschijnlijk iets gemerkt van haar schrikreactie en keek haar nu recht aan. Zijn ogen weerspiegelden intens verdriet. Ineens voelde ze een warme windvlaag en het leek alsof ze niets anders kon doen dan zich te ontspannen. Ze keek om zich heen en zag dat de mensen in het café nu recht door haar heen leken te kijken, alsof ze er niet was. Opnieuw keek ze de man aan. Ditmaal lag er een intense warmte in zijn blik. 
   "Hallo Jessica", zei hij. 
   Ze begreep het niet. Hij kwam haar opeens ontzettende bekend voor. 
   "Het spijt me, u moet zich vergissen. Ik heet geen Jessica maar Jesse", was haar antwoord. 
   De man schudde zijn hoofd en glimlachte. 
   "Nee, ik heb lang op je gewacht Jessica", zei hij. 
   Ondanks deze hele vreemde situatie was ze nieuwsgierig geworden en vroeg ze: "Wat is uw naam dan, als ik dat vragen mag?" 
   "Jessica toch. Ik ben het, Jonathan! En je hoeft geen u tegen me te zeggen." 
   Na een korte stilte zei hij ineens: "Kom ik wil je iets laten zien." 
   Hij stond op en nam haar bij de hand. Ze had de wilskracht niet om te weigeren en stond ook op. Hij nam zijn cape en zijn hoed en legde een gouden munt op tafel. Voor ze het eigenlijk in de gaten had, stonden ze buiten.

De torenklok sloeg voor het halve uur. Het regende niet meer. Ze schrok. De straat was veranderd. Er waren geen lantaarnpalen en in plaats van asfalt lagen er keien, er was bovendien geen auto meer te bekennen. In de verte hoorde ze hoefslagen. Ze draaide zich om naar het café, maar zag al gauw in dat het zinloos was. Er was geen café meer, maar een oude herberg die nu gesloten leek.
   "Kom Jessica", zei Jonathan en hij trok zachtjes aan haar arm. Verbijsterd liet ze zich door hem meevoeren. Onwennig liep ze over de keien met haar hand nog in de zijne. Er was verder geen levende ziel op straat. De torenklok sloeg twaalven en een plotselinge mist kwam opzetten. Het klinken van de klokken galmde door het duister. In een reflex kneep ze Jonathan in zijn hand.
    "Vrees niet Jessica", stelde hij haar gerust, "Alles komt goed."
   Na een korte wandeling zag ze een groot huis uit de mist opdoemen. Met een paar stappen waren ze bij het portaal van het huis aangekomen. Jonathan klopte met een koperen leeuwenkop op de deur. Het duurde even voordat de deur geopend werd. 
   "Heer Jonathan, komt u gauw binnen", zei het oude mannetje dat in de deuropening stond. Jonathan zag dat ze twijfelde.
   "Kom nu, mijn huis is jouw huis", fluisterde hij.
   Ze keek omhoog en het huis leek te vallen. Een beeld van een gevleugelde leeuw, dat op de nok van het dak stond, leek te bewegen en vlug stapte ze naar binnen. Het was vrij donker in de hal. Kaarsen in kandelaars aan de muur waren er de enige verlichting. Ze volgden de oude man tot ze in een woonkamer stonden. Er brandde een behaaglijk vuur in de open haard en er stonden twee ruime leunstoelen. Op een klein tafeltje stond een dienblad met daarop twee porseleinen theekopjes en een stomende theepot.
   "Ga zitten en maak het jezelf gemakkelijk", zei Jonathan.
   Ze keek in het rond en zag een portret hangen van een grote man met een enorme snor.
   "Dat was mijn vader", zei Jonathan die haar blik volgde.
   Ze keek hem aan en glimlachte waarna ze plaats nam in één van de leunstoelen. Jonathan richtte zich tot de oude man.
   "Dank je Thomas".
   De oude man knikte en liep de kamer uit. Jessica zag dat hij met een vaderlijke blik naar haar keek. Jonathan ging tegenover haar zitten.
   "Eindelijk heb ik je weer gevonden", zei hij terwijl hij haar aankeek.
   "Hoezo, ik begrijp het niet. Ik ken u helemaal niet", zei ze voorzichtig. 
   Jonathan schudde zijn hoofd.
   "Herken je me dan echt niet meer? Heb ik je al zo lang niet meer gezien?"
   Ze zuchtte.
   "Ik ken u niet en uw huis heb ik ook nog nooit gezien." 
   Terwijl ze dat zei begon ze te twijfelen, het huis kwam haar ergens wel bekend voor.
   "Jessica..."
   "Mijn naam is Jesse", zei ze zacht.
   "Goed dan, zoals je wilt. Jesse, we zouden gaan trouwen. Ben je dat alles echt vergeten?", vroeg hij bijna smekend. Ze schrok niet. Ze voelde zich zo tot hem aangetrokken dat ze het zich kon voorstellen dat ze met hem zou trouwen.
   "Maar dit kan toch niet?", antwoorde ze.
   Ze keek Jonathan vragend aan. Hij stond op en nam een album uit de grote boekenkast die tegen de wand stond. 
   "Als je dit ziet, zul je het weer weten", zei Jonathan raadselachtig. Hij ging bij haar staan en gaf haar het boek. Ze sloeg het boek open en zag dat het schetsen en brieven bevatte. 
   "Ik teken ook graag", vertelde ze Jonathan in een opwelling.
   "Natuurlijk doe je dat graag, kijk maar verder."
   Ze sloeg een paar bladzijdes om en zag een portret van Jonathan. Eronder stond geschreven: "Mijn liefste Johanthan. Voor altijd tezamen, je Jessica." 
   Ze keek Jonathan weer vragend aan.
   "Sla nog maar een badzijde om."
   Ze deed wat hij haar vroeg en kon haar ogen niet geloven.
   "Hoe...?", de woorden bleven in haar keel steken terwijl ze Jonathan verschrikt aankeek.
   "Dat ben jij, mijn Jessica", probeerde hij haar uit te leggen. 
   Ze keek nog eens naar het portret. Erbij stond geschreven: "... voor altijd tezamen. Je Jonathan."
   Langzaam deed ze het boek dicht.
   "Ik weet heel zeker dat jij het bent Jesse, jij bent mijn Jessica."
   "Maar hoe kan dat nou?", vroeg ze met lichte wanhoop in haar stem.
   "Ik zal het proberen uit te leggen", zei Jonathan rustig. Hij ging weer zitten.
   "We hadden elkaar de belofte gedaan altijd bij elkaar te blijven. Op een avond kwam er een telegram dat berichtte dat je zuster op sterven lag. Je pakte wat spullen in en vertrok met mijn zegen. Daarna heb ik niets meer van je vernomen. Je bent niet verschenen bij je zusters sterfbed, dus er moest iets ernstigs gebeurd zijn. Sindsdien heb ik naar je gezocht. Na vele weken vond ik een opening in de ruimte en tijd waardoor jij moet zijn verdwenen. Daar heb ik op je zitten wachtten. Hier leek de tijd verder stil te staan en nu heb ik je dan eindelijk teruggevonden. Ze bestefte wat hij haar vertelde. Ineens vielen allerlei puzzelstukjes op zijn plaats. Ze had geen echte herinneringen, niet van wat hij haar nu vertelde, maar ook niet van thuis. Daar had ze enkel de herinneringen van nadat ze was ontwaakt uit een coma na een ernstig ongeluk. Ze had toen haar hele geheugen verloren, hadden ze haar verteld. Nu twijfelde ze daaraan. Maar ondanks dat wachtte er daar een thuis voor haar, met twee katten, lieve vrienden, een leuke baan...
   "Jonathan, wat je wilt kan niet. Ik kan hier niet blijven", vertelde ze hem nadat hij was uitgesproken. Ze vond het een wonder dat ze zo rustig was. Het was zo'n vreemd verhaal, maar diep van binnen voelde ze dat het de waarheid was. 
   "Waarom niet, wat is er dan mis?, vroeg Jonathan.
   "Bijna alles", zuchtte ze: "Ik zou nooit meer naar huis kunnen..."
   "Maar je bent hier thuis", onderbrak hij haar.
   "Nee Jonathan. Dit is niet meer mijn thuis. Dat is veel te lang geleden, ik heb er geen herinneringen aan. Als je in mijn tijd leefde, zou ik bij je blijven en ook echt van je houden zoals jouw Jessica. Maar nu?", ze schudde haar hoofd.
   Jonathan keek haar bedroefd aan. Op dat moment liep Thomas verder naar binnen. Hij had al een tijdje in de deuropening gestaan.
   "Heer Jonathan, ze heeft gelijk. U moet haar terugbrengen. Hier zou ze wegkwijnen van verdriet. Ze hoort hier niet, niet meer. Als God het wil, komt jullie tijd nog. Je zult Hem moeten vragen om een oplossing. Echte liefde kent geen grenzen."
   Er rolde een traan over de wang van de oude man.
   "Hoeveel ik ook van je houdt mijn kind, je moet weer gaan", waren zijn woorden en hij draaide zich om en liep weg.
   Jonathan keek Jesse onderzoekend aan. Toen stond hij op en nam haar weer bij de hand. Ze wilde iets zeggen, maar bedacht zich en liep rustig mee het huis weer uit. Jesse keek achterom en zag Thomas in de deuropening staan. Hij zwaaide even. Ze kon van ver zien dat hij huilde. Haar verstand zei haar dat ze Thomas nooit meer zou zien. Ze voelde verdriet. Hoe verder ze liepen, hoe vager het huis werd door de mist. Na een tijdje kwamen ze weer bij het stadje aan. Ze hadden beiden nog geen woord gesproken sinds ze het huis hadden verlaten. Jonathan stopte voor de herberg aan het plein en draaide zich naar Jesse toe.
   "Weet je het zeker liefste?", vroeg hij haar.
   "Ik zou willen dat het anders kon", was haar antwoord.
   Ze had de grootste moeite haar tranen te bedwingen.
   "Het spijt me Jonathan, het spijt me zo. Die belofte...", barstte ze ineens uit. 
   "Shh, stil nu. Ik vind wel een manier. Ik beloof het je. Voor altijd tezamen Jessica, voor altijd..."
   Door haar tranen heen keek ze Jonathan aan. Hij keek haar liefdevol aan.
   "Ga nu", zei hij: "De deur is open al lijkt hij dicht. Loop gewoon de herberg binnen en je zal weer...thuis zijn."
   "Jonathan?"
   "Ja?"
   Zwijgend keek ze hem een moment aan, alsof ze hem in haar geheugen wilde brandden. Toen zei ze: "Ik houd van je, geloof ik", en gaf hem een kus op zijn voorhoofd. Ze draaide zich om, deed de deur van de herberg open en liep naar binnen. Jesse deed een stap naar voren en struikelde. Toen werd alles duister om haar heen.

Het eerstvolgende wat Jesse zich herinnerde waren een paar zachte tikken in haar gezicht. Verschrikt opende ze haar ogen. Ze lag op de grond. Een jonge man zat op zijn knieën naast haar.
   "Het spijt me dat ik je zo weer bij je positieven moet brengen", verontschuldigde hij zich enigzins grijnzend.
   "Gaat het?", vroeg hij haar.
   Jesse probeerde overeind te komen.
   "Nee, niet doen. Blijf nog maar even liggen, anders val je zo weer omver. Er is toch nog niemand op straat, dus je wordt niet aangegaapt omdat je op de grond ligt."
   Het drong nog niet helemaal tot Jesse door wat de jonge man zei.
   "Hoe laat is het?", vroeg ze hem.
   "Half vijf."
   "'s Ochtends?"
   "Ja, wat dacht je dan. Of lig je hier al zo lang?"
   Jesse keek hem aan. Ongewild schoot ze in de lach.
   "Jij bent me er ook eentje", zei ze.
   "Dat is wel de bedoeling ja. Mijn naam is Nathan, prettig kennis met je te maken."
   Hij pakte Jesse bij haar polsen en trok haar voorzichtig overeind.
   "Jonah zei je?"
   Ze zag een twinkeling in zijn ogen en keek hem nu eens goed aan.
   "Hoe...!?", stamelde ze met grote verbazing.
   "Wat was ook al weer jouw naam?", vroeg hij haar, met nog steeds een grijns op zijn gezicht.
   "Jesse", zei ze.
   "Hallo Jesse. Zal ik je naar huis brengen voor je hier weer in katzwijm valt?"
   "Graag", antwoorde ze zacht.
   Hij nam haar bij de hand. Ze liepen voorbij de oude kerk en even dwaalde zijn blik af naar een oude ruïne die een eindje buiten de stad lag. Een deel van de muren stond nog overeind. Vanuit haar ooghoeken dacht Jesse dat ze iemand zag staan. Hij zwaaide. Ze draaide haar gezicht naar hem, maar hij was er niet meer. 
   "Laat het verleden nu maar achter je Jesse", zei Nathan: "Het is voorbij."
   Hij kuste haar boven op hoor hoofd.
   "Laten we naar huis gaan", zei hij zacht.
   Jesse keek hem aan.
   "Dat is goed", zei ze, en na een kort moment: "Samen."
   Op dat moment brak de vroege ochtendzon door. Jesse zag iets glinsterends uit Nathan's broekzak hangen.
   "Erfstukje zeker?", vroeg ze hem glimlachend.
   Nathan knipoogde.
  
   

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Boeklancering 23x Zwart Licht

Over een maandje zal de verhalenbundel 23x Zwart Licht gelanceerd worden. Ik ben trots dat voor de derde maal een verhaal van mij gepubliceerd wordt via Godijn Publishing.

Mijn verhaal heet 'Engelenstem'. Een klein voorproefje om jullie interesse te wekken:


"Blanco. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Alles was blanco. Ze had het gevoel niet echt te zijn. Even deed ze haar ogen dicht en probeerde ze zich te concentreren op haar lichaam. Ze werd zich gewaar van haar hartslag en ademhaling; ze moest wel echt zijn. Ze opende haar ogen en keek omhoog naar de strakblauwe lucht, die leek ook echt. Ze richtte haar blik vooruit en zag de zee. Het wateroppervlak was rustig, de golven kabbelden. In de verte voer een vrachtschip waarvan het leek alsof hij stillag. Ze werd zich ervan bewust dat ze in de vloedlijn stond en dat haar sneakers nat waren geworden, toch bleef ze staan. In haar rechterhand hield ze iets vast: een scherp toelopende metalen pin. Het zat onder het bloed, net als…

~

If dreams could be real
You'd live
We'd walk in the park, smiling
But spring's here again
And you're not

How far would you go

how far would you walk with me my friend
all the way through the swamp of sadness
where despair seeps into your veins
leaving your limbs as heavy as stone
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way over the mountains of dread
where the fear claws at your feet
and the paths are as treacherous as thieves
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way through the valley of pain
where the roads are as sharp as razors
and the rivers run with blood
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
All the way to the ends of the earth
where the emptiness is as vast
as the hole in my heart
how far would you walk with me my friend
how far would you go