Doorgaan naar hoofdcontent

Het kind van de rekening



Mira legt haar hand op haar buik. Ze voelt heel licht dat de baby schopt. Het doet haar zeer. Niet het schoppen maar het feit dat er iets onschuldigs in haar groeit dat haar schopt. Deze baby. Dit kleine wezentje dat al voordat het geboren wordt, gebrandmerkt is. Het kind van de rekening. Ze voelt haar tranen opwellen. Niet huilen! Huilen is zwak, ze mag niet zwak zijn. Ze is zwak geweest, toen. Ongewillig weerloos. Ze had zich moeten weren. Het was haar schuld. Nu moet ze sterk zijn.
    Ze kijkt uit het raam naar buiten. De lentezon legt een gouden waas over de frisgroene velden aan het wad. Het licht schittert op het water. Heel kleine golfjes verraden dat het tij gaat keren. Hoe wonderlijk mooi is het hier. Wat zou ze ervoor over hebben om dat ook werkelijk weer te kunnen ervaren. De schoonheid. De puurheid. Maar nu voelt ze zich verdorven. Van binnen is er een zwarte laag gelegd over dat wat eens onschuldig was. Niet langer kind maar bijna moeder. Ze vraagt zich af hoe ze het zover heeft kunnen laten komen maar heeft er geen antwoord op. Het doet er eigenlijk ook niet toe. Het is te laat om dit tij te keren. Ze wordt moeder van een kind en daar valt niets meer tegen te doen.
    Ze draait zich om en loopt naar de kledingkast. Naast haar eigen kleding heeft ze een paar oude kinderkleertjes neergelegd die ooit van haarzelf waren. Ze pakt een rompertje van het stapeltje. Het is zo ontzettend klein. Weer voelt ze de baby schoppen. Ze zakt op haar bed neer met haar ene hand op haar buik en in de andere hand nog het rompertje. Ze kan het niet helpen en begint te huilen. Door haar tranen heen kijkt ze haar kamer rond. Het is de kamer van een jong meisje, niet van een moeder. Posters van paarden op de muur en knuffels op bed. Daarnaast nu ook een kraakhelderwit wiegje. Ze wil dit niet. Ze kan het niet.

Het is inmiddels donker geworden. De dagen zijn nog niet zo lang als in de zomer. Mira loopt naar beneden. Er is niemand thuis behalve zijzelf. Het huis is verder in donkerte gehuld. Ze knipt het lichtje in de keuken aan. De vuile vaat staat hoog op het aanrecht opgestapeld. Moedeloos gaat ze aan de keukentafel zitten. Haar buik zit haar in de weg en komt tegen de tafelrand aan. Was dit maar voorbij. Ze haat dit lichaam, deze buik. Haar borsten. Alles haat ze. Maar het kindje dat ze draagt kan ze niet haten. Ze houdt er ook niet van, maar haten is onmogelijk. Ze voelt zich gevangen, zowel in dit huis en dit lichaam, als in dit dorp. Ze snakt naar vrijheid. Ze is al zo lang verantwoordelijk geweest. Ze kan het niet meer. Ze wil niet langer de volwassene spelen in dit godvergeten huis. Was ze maar weggegaan. Had ze maar naar haar instinct geluisterd. Maar ze was echt te jong toen, hij had het nooit toegestaan dat ze uit huis ging. Nu was het te laat. Heel even doet ze haar ogen dicht. Als klein kind had ze altijd gedacht dat wanneer ze haar ogen stijf dicht deed, de buitenwereld ook echt even niet meer bestond. Ze wist nu wel beter, maar ze kon het niet laten om weer even te doen alsof. Na een kort moment opent ze haar ogen weer. Ze ziet dezelfde puinhoop waarvoor ze haar ogen wilde sluiten. Dezelfde puinhoop die ze wilde laten verdwijnen, ontkennen. Dezelfde puinhoop die ze er zelf van heeft gemaakt.
   Ze staat op van de keukentafel en loopt de achterdeur uit zonder hem weer dicht te doen. Het licht vanuit de keuken legt een vaag gelig schijnsel over de verwaarloosde achtertuin. Het begint erg fris te worden buiten maar Mira loopt zonder jas verder naar het einde van de achtertuin. Daar is geen gelig schijnsel meer van het licht in de keuken, daar is ze een met de inzettende nacht. Het tuinhekje doet ze open. In het donker vind ze moeiteloos de traptreden naar de bovenkant van de dijk die achter het huis loopt. Boven op de dijk aangekomen kijkt ze naar de horizon. Het is een donkere nacht zonder sterren. In de verte ziet ze af en toe vaag het licht van een vuurtoren de lucht oplichten. Doelloos begint ze te lopen. Eerst over het voetpad bovenop de dijk, maar al snel verlaat ze het pad om over de zijkant van de dijk naar beneden te lopen in de richting van het wad. De nachtgeluiden van het wad geven haar ondanks alles een vaag gevoel van sereniteit. Het is inmiddels eb en het wad leeft vollop. Het zijn voor Mira bekende geluiden. Ze heeft ze altijd wonderlijk gevonden. Als er iets zou zijn wat ze ontzettend zou missen wanneer ze hier weg was gegaan toen ze nog kon, dan zouden het de geluiden van het wad zijn. De geluiden van de wind en het water, van het tij, van de vogels, en van wat er nog meer leeft op en nabij het wad.
   Ze komt aan bij een van de groene veldjes die ze vanuit haar slaapkamerraam had zien liggen. Ze zet haar voeten in het natte gras. Kleine sprietjes kietelen haar enkels. Langzaam loopt ze door. Na een paar stappen zakt ze neer in het gras. Het deert haar niet dat ze nat wordt. Ze gaat op haar rug liggen en staart omhoog naar de donkere hemel. Geen maan die haar wat licht schenkt, geen sterren die voor haar stralen. Met haar handen op haar buik blijft ze zo liggen. Haar adem komt in kleine wolkjes naar buiten. De lucht die ze inademt is kil maar ze lijkt niet te voelen hoe koud het eigenlijk is. Ze sluit haar ogen.


Ze hoort commotie om zich heen. Handen aan haar lichaam. Ze wil haar ogen openen maar het lukt niet. Roept iemand haar naam? Wat is er aan de hand? Waar is ze? De bekende geluiden van het wad worden overstemd door vele stemmen en een luidruchtig geraas. 
   "Hallo, kun je me horen? Doe je ogen eens open."
   De stem klinkt vervormd. Ze weet ook niet uit welke richting dat hij komt. Dan voelt ze even een warme hand op haar gezicht.
   "Probeer eens op me te reageren, kun je me horen?"
   Ze kan het niet plaatsen. Alles is wollig en vreemd. Het lijkt alsof ze zweeft. Dan voelt ze zich weer wegglijden, alsof ze onder water gaat. De geluiden verstommen.


"Mira?"
    Ze dacht dat ze gedroomd had. Maar nu hoort ze weer iemand haar naam roepen. Ditmaal is het meer helder. De stem klinkt onbekend. Mira probeert haar ogen te openen, maar dat gaat moeilijk. Wazig kijkt ze in de richting waar de stem vandaan leek te komen. Er staat een man licht over haar heen gebogen. Hij draagt witte kleding, een naamplaatje...ze kan het niet lezen.
   "Mira? Mijn naam is Thomas, ik ben arts. Weet je waar je bent?"
   Ze weet niet waar ze is, maar thuis is ze niet, dat weet ze wel zeker. Dan kijkt ze versuft om zich heen. Ze ligt in een schoon bed met witte lakens. Een lichte kamer. Er piept iets links naast haar. Dan ziet ze dat er aan haar hand een slangetje vastzit welke omhoog loopt. Aan haar vinger zit een soort van plastic wasknijper met een lange draad eraan. Ze wil haar hand omhoog brengen om wat beter te kijken, maar de man legt zijn hand op haar arm.
   "Het is goed Mira. Je hebt een infuus gekregen en je bent nog aangesloten op een hartmonitor. Je bent in het ziekenhuis. Weet je nog wat er gebeurd is?"
   Ze heeft geen idee. Hoe komt ze hier? Dan ineens een steek van angst. In een reflex grijpt ze naar haar buik. Alle watten in haar hoofd lijken spoorslags te verdwijnen. Ze voelt haar baby niet!! Verschrikt kijkt ze de arts aan. Ze wil overeind komen maar hij legt zijn handen op haar schouders en drukt haar voorzichtig maar resoluut terug.
   "Rustig maar, je baby ligt in een couveuse. Ze is met een spoedkeizersnede ter wereld gekomen. De wond op je buik is nog heel vers daarom kun je het beste rustig blijven liggen."
   Hij kijkt haar aan. Ze probeert te verwerken wat ze heeft gehoord. Ze? Een meisje? Ze heeft een meisje gekregen? Verdwaasd blijft ze liggen. Een meisje. En nu...?
   "Mira? Wil je praten over wat er gebeurd is?"
   Ze wend haar blik af. Ze voelt haar maag ineenkrimpen. Een meisje. Nee. Dit mag niet. Nu voelt ze meer dan haar maag ineenkrimpen. Enorme kramp. Ze bijt op haar lip en grijpt weer naar haar buik, maar nu van de pijn. 
   "Dit zijn naweëen Mira. Het kan nog even duren voor het minder pijnlijk wordt. Ik zal wat pijnstilling voor je halen. Ik ben zo bij je terug."
   De arts staat op en loopt de kamer uit. Ze blijft verkrampt liggen. De pijn rolt door haar lichaam. Het trekt aan haar als golven aan het zand. Kon ze zich maar mee laten voeren door de stroming naar het diepe. Ze voelt zich radeloos. Een meisje.
    Ze weet niet hoe lang het heeft geduurd maar ineens staat de arts weer aan haar bed. Hij spuit iets in het infuus. Ze voelt zich lomer worden en de pijn zakt weg naar de achtergrond. De geluiden om haar heen verstommen weer. 

"Nee, niet doen! Blijf van haar af!", roept ze. Verschrikt kijkt ze om zich heen. Ze heeft gedroomd. Het was maar een droom. Een nachtmerrie. Een verpleegkundige komt naar haar toe.
   "Alles is goed met je baby Mira. Niemand kan haar wat aandoen."
   Mira ontspant een beetje. Hij kan haar baby niets aandoen. Niet zolang ze hier zijn. Hoe lang zijn ze eigenlijk al hier? Ze heeft geen idee van tijd.
   "Wil je je baby zien? We kunnen haar in de couveuse hierheen halen."
   De verpleegkundige kijkt haar vriendelijk aan. Mira twijfelt. Wil ze haar baby zien? Is het niet beter als ze haar nooit zal zien? Ze is besluiteloos. Dan maakt de verpleegkundige de beslissing voor haar.
   "We zullen haar direct even hierheen brengen maar eerst vraag ik de arts om langs te komen. Rust voor nu maar wat uit."
   Ze vult een glas met water en zet het bij Mira op het nachtkastje neer. Dan loopt ze weg. Mira staart uit het raam. De lucht is vandaag blauw en zonder wolken. Helder. Het is een echte lentedag. Een dag waarop moeders met hun kleine kinderen naar buiten gaan om een wandeling te maken. Genieten van het zon, van de naderende warmte. Er zal een vrolijke sfeer hangen. Ze kan het idee van geluk bijna aanraken. Maar dan slaat de werkelijkheid de deur hard dicht. Er is geen geluk. Niet voor haar. Verlangen heeft geen nut. Ze kan er beter haar ogen voor sluiten of de andere kant opkijken. 
   Dan komt de arts binnen die ze eerder heeft gezien. Hij is niet alleen, een oudere vrouw vergezelt hem. 
   "Hallo Mira, hoe gaat het nu met je? Zijn de krampen al wat minder pijnlijk?", vraagt de arts. 
   Mira kijkt hem nu eens goed aan. Hij is een aantrekkelijke jonge man. Hij heeft lichtblond haar dat wat nonchalant zit, een licht gebronsde huid en sprekende, groenbruine ogen. Hij is slank en ziet er goedverzorgd uit. Heel anders dan de mannen die ze kent. Hij kijkt haar ook heel anders aan dan al die anderen. Oprecht vriendelijk en geïnteresseerd. Het is dan wel zijn beroep, maar ook artsen zouden hetzelfde kunnen zijn als de mannen die ze kent; grof, lomp, en maar in één ding geïnteresseerd. Haar gedachten dwalen af, maar dan spreekt hij haar weer aan.
   "Ik heb iemand met me meegebracht die even met je wil praten. Als je wilt kan ik erbij blijven. Wil je dat?"
   Mira knikt. De vrouw komt dichterbij en steekt haar hand uit welke ze terughoudend aanneemt en schudt.
   "Hallo Mira, mijn naam is Else Bruijn, ik ben werkzaam bij Jeugdzorg. Ik wil met je praten over hoe het met je gaat, over je zwangerschap, en over hoe we kunnen zorgen dat je hulp krijgt bij het oppakken van je leven en het zorgen voor je baby."
   Mira kijkt van de dame van Jeugdzorg naar de arts en weer terug. Ze weet niet wat ze moet zeggen. Ze wíl er niets over zeggen. Maar haar zwijgen heeft geen effect op het voornemen van de vrouw om met haar te praten. De arts blijft bij het voeteneinde van het bed staan terwijl de vrouw een stoel pakt en nabij haar gaat zitten. Ze legt een map op haar schoot en kijkt Mira een moment rustig aan. Mira voelt zich in het nauw gedreven. Voor het eerst sinds ze in het ziekenhuis is doet ze bewust haar mond open. Met enige moeite zegt ze: "Ik heb niets te zeggen."
   "O? Maar ik heb wel een paar belangrijke vragen", reageert de vrouw. Ze kijkt met priemende ogen naar Mira, vriendelijk maar ook streng. Ze lijkt geen tegenspraak te dulden. Ze slaat de map open en kijkt een moment naar het formulier dat bovenop ligt. Dan kijkt ze Mira weer aan.
   "Ik wil beginnen bij wat persoonlijk gegevens. Je naam is Mira Louise van Veen?"
   Mira knikt bevestigend, niet van plan om woordelijk iets terug te zeggen.
   "Je leeftijd is 15 jaar?"
   Wederom knikt Mira bevestigend, ditmaal met zichtbare tegenzin. Ze voelt aan waar dit gesprek naartoe zal gaan en ze wil het er niet over hebben. De vrouw gaat echter verder met haar vragen.
   "Als ik kijk naar je geboortedatum dan was je nog lang geen vijftien toen je zwanger raakte, klopt dat?"
   De vrouw stelt het als een vraag maar Mira beseft dat het antwoord haar al bekend is, daarom zwijgt ze en kijkt weg. Ze wil dit gesprek niet voeren, dat zou nu toch duidelijk moeten zijn.
   "Mira, ik zou het fijn vinden als je me aankijkt wanneer ik met je praat."
   Nukkig blijft ze de andere kant uitkijken. Even is het stil. Dan hoort ze de arts zeggen: "Je kunt alles tegen ons zeggen Mira. We zullen heel zorgvuldig omgaan met wat je in vertrouwen aan ons verteld."
   Ze kijkt zijn richting op. Ze ziet dat zijn gezicht heel serieus staat en dat hij meent wat hij zegt. Dan stelt de vrouw haar weer een vraag.
   "Kun je me vertellen wie de vader van je kind is?"
   Verschrikt en met een wit weggetrokken gezicht kijkt ze de vrouw recht aan. Snel schudt ze haar hoofd, maar ze voelt dat het al te laat is. Ze heeft het idee dat het dikgedrukt op haar voorhoofd staat. Ze voelt het bloed naar haar wangen stijgen. Haar lip begint te trillen en in haar ogen wellen de tranen op. Ineens legt de vrouw haar hand op Mira's arm. 
   "Het is goed Mira, je mag het gewoon zeggen. Je hebt niets verkeerds gedaan."
   Ze weet het dat niet klopt. Het is wel haar fout. Dat is haar heel duidelijk gemaakt. Ze heeft dit zelf veroorzaakt. Ze trekt haar arm weg en zegt impulsief: "Het is wel mijn schuld, en ik wil haar niet. Laat me met rust!"
   Ze wil dat ze weggaan. Dat alles weggaat. Door de nog aanwezige pijn aan haar buik draait ze zich moeizaam weg van de twee mensen die haar aankijken. Ze voelt hun ogen in haar rug. Maar ze gaan niet weg zoals ze hoopte. De arts loopt naar haar kant van het bed. Hij komt niet te dichtbij maar zakt door zijn knieën zodat hij haar recht aan kan kijken. Met rustige stem zegt hij: "Je bent nu erg van streek Mira, maar wat er ook gebeurd is, het was niet jouw schuld."

Mira weet niet meer precies wat ze hen verteld heeft. Ze is bang dat hij erachter komt dat ze gepraat heeft, en wat hij dan zal doen. Wat moet ze nu? Datgene wat haar enige bewegingsruimte gaf heeft ze nu ook uit haar handen laten glippen. Haar zwijgen was wat ze hem had moeten beloven en die belofte heeft ze gebroken.
   Dan komt iemand haar kamer binnen. Een verpleegkundige rolt een couveuse naar haar bed toe en zet hem zo dichtbij de rand van het bed dat Mira hem aan kan raken. Mira wil ervan wegdraaien maar kan zich er niet toe zetten. Ze kijkt naar het kleine hoopje mens dat in de couveuse ligt. Er komen slangetjes uit het neusje en er zitten plakkertjes op het lijfje. Het kindje lijkt er geen last van te hebben. De oogjes zijn gesloten. Mira kijkt met volle aandacht naar de baby. Ze wil nu toch alle details in haar opnemen. Kleine plukken zwart haar komen onder het roze mutsje vandaan. Lange wimpers, een wipneusje, heel kleine oren met vastzittende oorlellen, kleine armpjes met smalle handjes, lange vingers met perfecte nageltjes, dunne beentjes en mooie kleine voetjes... Alles aan het kindje is compleet. Ze is prachtig. Mira kan haar ogen niet afwenden van wat ze ziet.
   "Je mag haar aanraken, het is zelf goed voor haar als je dat doet. Mira kijkt de verpleegkundige vertwijfeld aan.
   "Echt waar. Kijk, je baby vindt het zelfs fijn als je haar aanraakt."
   De verpleegkundige steekt haar hand door een van de gaten aan de andere kant van de couveuse en raakt de baby zachtjes aan. Het kindje reageert door met haar hoofdje te draaien maar lijkt geen pijn te hebben of bang te zijn. Heel voorzichtig steekt Mira ook haar hand door een van de gaten. Met één vinger raakt ze voorzichtig het kleine handje aan dat het meest dichtbij is. Onmiddelijk reageert de baby door op Mira's aanraking. Het knuistje sluit zich om haar vinger. Met grote ogen kijkt Mira naar de verpleegkundige. Deze glimlacht.
   "Zie je wel, ze vindt het echt fijn." 
   Even is de verpleegkundige stil maar dan vraagt ze: "Heb je al een naam voor haar?"
   Mira heeft niet over namen nagedacht. Daar heeft ze eigenlijk niet eens bij stilgestaan. Waarom een naam kiezen voor een kind dat je niet zou moeten krijgen, een kind dat geen toekomst heeft bij haar. Ze kijkt op naar de verpleegkundige en ziet haar verwachtingsvolle blik. Mira slaat haar ogen neer en schudt ontkennend haar hoofd.
   "Hoe zou je haar willen noemen? Wat is de eerste naam die je te binnen schiet die je echt mooi vindt."
   Mira denkt na. Haar vinger wordt nog steeds stevig vastgegrepen door het kleine meisje in de couveuse. Mooi. Nee, het kindje is prachtig. Eigenlijk verdient zij een prachtige naam. Mira neemt een besluit. Ze gaat haar baby een naam geven. Dat is in ieder geval nog iets wat ze voor haar kan doen zonder dat het grote gevolgen zal hebben. Een mooie naam is wel het minste dat haar baby verdient. Eigenlijk weet ze de perfecte naam voor haar. De naam van haar moeder. Even denkt ze terug aan haar vroege jeugd toen haar moeder nog leefde. Ze was toen zorgeloos en gelukkig. Een kind zoals een kind hoort te zijn.
   "Elise. Ik noem haar Elise", zegt ze zacht.
   "Dat is een heel mooie naam", zegt de verpleegkundige.
   Mira knikt. Dan stelt de verpleegkundige haar een vraag die ze niet aan had zien komen; of ze Elise op haar eigen buik gelegd wil hebben én of ze borstvoeding wil gaan geven. De verpleegkundige legt aan haar uit dat die twee dingen ontzettend belangrijk zijn voor een net geboren baby. Mira kan het niet geloven dat er verder iets is wat zij zou kunnen doen dat goed is voor haar baby. Haar lijf al helemaal niet. Ze schudt haar hoofd.
   "Wil je haar dan gewoon even in je armen nemen? Je kunt niets verkeerd doen en ik blijf er de hele tijd bij."
   Mira twijfelt nu. Zou het echt geen kwaad kunnen haar alleen maar even vast te houden?
   "We proberen het gewoon even, je hoeft echt niet bang te zijn", zegt de verpleegkundige terwijl ze de couveuse opent om Elise eruit te pakken. Mira voelt haar hart tekeer gaan. Dit had ze niet gepland. Eigenlijk had ze tijdens haar zwangerschap helemaal niets gepland, ze had het ondergaan. Ze was niet bij een dokter geweest, ze had geen uitleg gekregen, ze was enkel thuisgebleven en uit het zicht verdwenen. Niemand die zich daar iets van aan had getrokken, ook zij zelf niet. 
   De verpleegkundige wikkelt de baby in een zachte doek en legt haar in Mira's armen. Sprakeloos blijft Mira liggen. Ze kijkt naar haar baby terwijl die rustig lijkt te slapen. 
   "Zie je Mira, je doet het echt prima."

Ze heeft het gevoel dat ze een hele tijd met haar baby in haar armen heeft gelegen. Eigenlijk wil ze haar niet meer laten gaan, maar de baby kan beter terug in de warme couveuse. De verpleegkundige neemt haar weer van Mira over. Vol verwarring ziet ze de couveuse weer uit haar kamer verdwijnen. Ze heeft haar niet gewild, maar ze wil haar ook niet laten gaan.
   Mira's hoofd draait op volle toeren. Kan ze Elise nog laten gaan nu ze haar gezien heeft, én aangeraakt? Ze heeft haar vastgehouden, echt vastgehouden. 
   Ze kijkt weer uit het grote raam. Het zachte licht met een warme gloed verteld haar dat de avond nadert. Ze beseft ineens dat deze dag, die zo vreemd en bijna surrealistisch verlopen is, een mogelijkheid kan zijn om te ontsnappen aan wat tot nu toe haar werkelijkheid is geweest. Haar geheim is geen geheim meer. Haar kind is geboren. Ze is niet meer thuis in dat godvergeten dorp met die mensen die haar geen hand hebben toegestoken terwijl ze wisten wat er speelde. Ze heeft al die tijd op automatische piloot geleefd en niets anders gevoeld dan moedeloosheid en berusting daarin, maar sinds ze in het ziekenhuis wakker is geworden, staat alles op zijn kop. Ze weet niet meer wat ze voelt, alles lijkt er tegelijkertijd te zijn; blijdschap, verwondering, angst, verdriet, woede en pijn. Maar voor het eerst voelt ze iets heel belangrijks, hoop. Ze heeft geen idee wat ze moet doen. Het enige dat ze zeker weet, is dat ze alles zal doen voor Elise, wat dat ook betekent. Alles voor haar kind.

  

  

Reacties

Populaire berichten van deze blog

Boeklancering 23x Zwart Licht

Over een maandje zal de verhalenbundel 23x Zwart Licht gelanceerd worden. Ik ben trots dat voor de derde maal een verhaal van mij gepubliceerd wordt via Godijn Publishing.

Mijn verhaal heet 'Engelenstem'. Een klein voorproefje om jullie interesse te wekken:


"Blanco. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Alles was blanco. Ze had het gevoel niet echt te zijn. Even deed ze haar ogen dicht en probeerde ze zich te concentreren op haar lichaam. Ze werd zich gewaar van haar hartslag en ademhaling; ze moest wel echt zijn. Ze opende haar ogen en keek omhoog naar de strakblauwe lucht, die leek ook echt. Ze richtte haar blik vooruit en zag de zee. Het wateroppervlak was rustig, de golven kabbelden. In de verte voer een vrachtschip waarvan het leek alsof hij stillag. Ze werd zich ervan bewust dat ze in de vloedlijn stond en dat haar sneakers nat waren geworden, toch bleef ze staan. In haar rechterhand hield ze iets vast: een scherp toelopende metalen pin. Het zat onder het bloed, net als…

How far would you go

how far would you walk with me my friend
all the way through the swamp of sadness
where despair seeps into your veins
leaving your limbs as heavy as stone
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way over the mountains of dread
where the fear claws at your feet
and the paths are as treacherous as thieves
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way through the valley of pain
where the roads are as sharp as razors
and the rivers run with blood
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
All the way to the ends of the earth
where the emptiness is as vast
as the hole in my heart
how far would you walk with me my friend
how far would you go

Dagvlinder

In het gras zittend, staarde ik naar het water in de grote vijver. Het was een prachtige, warme voorjaarsdag en daardoor druk in het park. 'Papa, kijk nou!' Met een pruillip stond ze ineens voor me, mijn kleine engel. Haar armpjes over elkaar heengeslagen. Ongewild moest ik er om lachen, wat natuurlijk als olie op het vuur was. 'Jij bent stom!' riep ze boos, waarna ze haar tong naar me uitstak. Ze wilde zich omdraaien en weglopen, maar voor ze de kans kreeg had ik haar al opgetild en zwaaide ik haar de lucht in. Onmiddellijk schaterde ze het uit, een geluid waar ik geen genoeg van kon krijgen. Toen ik haar weer op de grond zette, vloog ze me om de nek waardoor we allebei achterover in het gras vielen. Ik deed mijn best om serieus te kijken en zei: 'Daar staat de kieteldood op, jongedame.' Emmi begon opnieuw te schateren, al voordat ik haar kietelde.
Niet lang daarna zijn we op Emmi's verjaardag naar Burgers' Zoo geweest. Afgelopen jaren was het begin me…