Doorgaan naar hoofdcontent

Stille kerst



Geen witte vlokjes dwarrelen neer. Geen lichtjes in de kerstboom. Geen piek. Dit jaar is er eenzame stilte. 
 
De man kijkt door het raam naar buiten de straat op. Het regent. Hij zucht. Hoeveel mooier was het vroeger. Hoeveel lichter en hoeveel warmer. Niet buiten, maar binnen. Samen met zijn vrouw. Samen, niet alleen. Nu is dat allemaal anders. Hij zucht nog eens van weemoed. Hoe raar kan het leven lopen. Nog niet heel lang geleden was hij niet alleen. Hij had lief en werd op zijn beurt lief gehad. Maar daar was een einde aan gekomen. Een definitief einde. De dood. Zijn lief werd hem ontnomen. Zomaar, ineens. Zonder vragen, zonder waarschuwing en zonder mededogen. Hij wil niet terugdenken aan dat moment maar kan het niet helpen. Zijn gedachten dwalen af.
  
Die ochtend, die bewuste ochtend, werd hij wakker zonder te weten wat hem te wachten zou staan. Hij had zich loom uitgerekt, gegaapt, zijn benen over de rand van het bed gezwaaid. Hij had zijn pantoffels aangedaan en zijn ochtendjas over zijn pyjama aangetrokken. Hij was de badkamer ingegaan om zijn gezicht te wassen en zijn haar te kammen. Hij hoorde geen geluid beneden, hij rook nog geen koffie. Toch moest zijn lief vroeg in de ochtend zijn opgestaan zoals ze altijd deed. Ze had, zoals zo vaak, niet naast hem gelegen toen hij wakker werd. Meestal zat ze al in de keuken de ochtendkrant te lezen met een vers kopje koffie in haar mooie, inmiddels rimpelige, hand. Ze keek hem altijd aan met een twinkelende blik in haar ogen. Haar stralende ogen, nog precies als toen ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet. Die ogen waren zo mooi, zo intens blauw en levendig. Hij hield van haar ogen. Zoals ze hem aankeken. Zoals ze dromend naar buiten konden staren. Zoals ze konden lachen zonder geluid. Zoals ze hem vragend aan konden kijken als een kind dat alles wilde weten van intense nieuwsgierigheid. Mijn hemel, wat hield hij van die ogen. Wat hield hij van haar. 
  
 
Hij liep naar beneden. Stilte. De radio in de keuken was niet aangezet. De koffie pruttelde niet. Hij voelde zijn maag ineen krimpen. Dit klopte niet, hier was iets mis. Hij liep de keuken in maar zij was daar niet. Geen enkel teken dat ze er die ochtend was geweest. De keukentafel was nog leeg. Geen kopje, geen broodkruimels, geen krant. De stoel stond nog aangeschoven en het fornuis was koud. Hij draaide zich om en keek de gang in. Daar lag de ochtendkrant, op de deurmat. Onaangeroerd, ongelezen. Waar was ze? Waarom was ze niet in de keuken, waarom zat ze niet aan de tafel de krant te lezen zoals altijd? Zijn hart begon sneller te kloppen. Hij liep naar de woonkamer. Normaal gesproken zou ze daar de verwarming al wat hoger draaien voordat ze ging ontbijten. Hij deed de deur open. De kamer was nog gehuld in duisternis, de gordijnen waren nog gesloten. Hij voelde met zijn hand naar het lichtknopje. Zij kon haar weg altijd vinden, zelfs in het donker. Al tastend vond hij de schakelaar en deed het licht aan. Zijn ogen moesten even wennen aan het licht. Na een kort moment zag hij haar liggen. Nabij de kachel, op het kleed. Hij snelde toe en knielde bij haar neer. Hij riep haar naam, probeerde haar te wekken, maar het was tevergeefs.
   

Zijn ogen tranen en zijn hart huilt. Wat moet hij nu. De laatste paar weken was hij als in een roes doorgekomen. Hij had van alles moeten regelen. Haar begrafenis, haar testament, de steen op haar graf, de regels op haar kaart, de bedankjes naar enkele verre kennissen, de bloemen... 
   Nu was het al een week stil. Echt stil. Niets meer om te doen en niemand die hem nog aansprak. Ze waren altijd samen geweest en dat was voldoende. Nu is hij dan echt alleen. Hij kijkt nog eens uit het raam. Het regent nog steeds. Hij zit in zijn stoel en kijkt naar de plek waar zij zou hebben gezeten. Een lege stoel. De kachel staat nog uit. Hij heeft geen behoefte om hem aan te zetten. Hij wordt toch niet meer warm van binnen. Hij wil zijn ogen sluiten en niet meer wakker worden. Bij haar zijn, voor altijd bij haar zijn. Maar hoe hard hij het ook wenst, wanneer hij zijn ogen weer opendoet is hij nog steeds alleen. Hij leeft nog, en zij is dood.
   Het is kerstmis. Een tijd van gezellig samenzijn. Van warmte en liefde. Van het vieren van het leven. Van kerstbomen en kerstballen. Van sneeuw en kerstengelen. Van alles waar hij nu niets meer om geeft. Alles wat hij niet meer wil, want zij is er niet. De kerst is nat. Het huis is koud. Hij is alleen, en zij is dood. De engelen hebben hem verraden. Hij balt zijn vuisten maar heeft de moed niet meer om boos te worden. Het heeft geen zin. Woede heeft geen zin en het leven heeft geen zin. Hij heeft geen zin meer. Wat moet hij zonder haar. Hij wil niet zonder haar.
   Hij kijkt naar de koude kachel. Hij kijkt naar het kleed dat voor de kachel ligt. Het kleed waarop zij had gelegen. Het kleed waarop hij haar had gevonden. Hij staat op. Hij loopt naar de kachel toe. Zijn pantoffels doet hij uit. Hij knielt neer op het kleed, precies op de plek waar hij haar had gevonden. Hij kijkt nog eens naar de kachel. Met zijn hand reikt hij naar de knop en draait het gas open.

Stilte. Geen eenzame stilte, maar intense stilte. Doodse stilte.





Reacties

Populaire berichten van deze blog

Boeklancering 23x Zwart Licht

Over een maandje zal de verhalenbundel 23x Zwart Licht gelanceerd worden. Ik ben trots dat voor de derde maal een verhaal van mij gepubliceerd wordt via Godijn Publishing.

Mijn verhaal heet 'Engelenstem'. Een klein voorproefje om jullie interesse te wekken:


"Blanco. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Alles was blanco. Ze had het gevoel niet echt te zijn. Even deed ze haar ogen dicht en probeerde ze zich te concentreren op haar lichaam. Ze werd zich gewaar van haar hartslag en ademhaling; ze moest wel echt zijn. Ze opende haar ogen en keek omhoog naar de strakblauwe lucht, die leek ook echt. Ze richtte haar blik vooruit en zag de zee. Het wateroppervlak was rustig, de golven kabbelden. In de verte voer een vrachtschip waarvan het leek alsof hij stillag. Ze werd zich ervan bewust dat ze in de vloedlijn stond en dat haar sneakers nat waren geworden, toch bleef ze staan. In haar rechterhand hield ze iets vast: een scherp toelopende metalen pin. Het zat onder het bloed, net als…

~

If dreams could be real
You'd live
We'd walk in the park, smiling
But spring's here again
And you're not

How far would you go

how far would you walk with me my friend
all the way through the swamp of sadness
where despair seeps into your veins
leaving your limbs as heavy as stone
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way over the mountains of dread
where the fear claws at your feet
and the paths are as treacherous as thieves
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
all the way through the valley of pain
where the roads are as sharp as razors
and the rivers run with blood
how far would you walk with me my friend
how far would you walk with me my friend
All the way to the ends of the earth
where the emptiness is as vast
as the hole in my heart
how far would you walk with me my friend
how far would you go